Kamervragen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


1. Vraag
Is het waar dat de Nederlandse autoriteiten voornemens waren de Pakistaanse onderzoeker de heer A. Khan, op zeker twee moment en in de jaren ’70 en ’80 te arresteren? 1) Zo ja, wanneer was dat precies en welk arrondissement wilde in de diverse gevallen de heer Khan aanhouden? Wat waren de respectievelijke aanleidingen om te besluiten tot aanhouding over te gaan?

1. Antwoord
Voor zover ik uit de mij thans ter beschikking staande stukken uit de jaren ’70 en ’80 heb kunnen afleiden, is de heer Khan in 1988 tweemaal naar Nederland gereisd. Hij maakte in geval van beide bezoeken gebruik van een diplomatiek Pakistaans paspoort op een andere naam. De eerste maal is de aanwezigheid van de heer Khan in Nederland pas op de dag van zijn vertrek gebleken. Hij heeft ons land zonder tussenkomst van de Nederlandse autoriteiten weer verlaten. De heer Khan is bij zijn tweede bezoek door de politie van Bergen op Zoom aangehouden en uitgezet op grond van de vreemdelingenwetgeving. Omdat de strafzaak tegen de heer Khan in 1988 al gesloten was, bestonden er, zowel tijdens zijn eerste als zijn tweede bezoek, geen gronden om de heer Khan aan te houden. Bij arrest van 28 maart 1985 had het gerechtshof te Amsterdam, op procedurele gronden, het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 14 november 1983 en de inleidende dagvaarding vernietigd. Zoals reeds bij brief van 29 augustus 1986 aan de voorzitter van de Bijzondere Commissie van de Tweede Kamer, belast met het onderzoek naar de zaak Khan, is bericht, heeft het openbaar ministerie besloten om de heer Khan niet opnieuw te dagvaarden.

2. Vraag
Is het tevens waar dat van deze plannen is afgezien omdat de Amerikaanse Central Intelligence Agency (CIA) Khan wilde blijven volgen? Zo ja, wat waren de precieze argumenten van de Amerikaanse dienst in de afzonderlijke plannen tot aanhouding?

3. Vraag
Welke Nederlandse bewindslieden waren op de hoogte van deze beslissing om op verzoek van de CIA niet tot arrestatie over te gaan?

4. Vraag
Indien dit waar is, wat waren de Nederlandse overwegingen om van arrestatie af te zien? Hebben de Nederlandse autoriteiten garanties gevraagd om alsnog tot arrestatie over te kunnen gaan? Welke waren dat?

2,3 en 4. Antwoord
In het antwoord op vraag 1, heb ik aangegeven dat er geen gronden meer bestonden om de heer Khan in 1988 aan te houden. Voor de veronderstellingen waar in de vragen vanuit wordt gegaan is geen enkele grond gevonden. Daarnaast is uit het dossieronderzoek niet gebleken dat de CIA enige rol heeft gespeeld in de afweging van het openbaar ministerie om de heer Khan niet opnieuw te dagvaarden.

5. Vraag
Deelt u de mening dat gezien de Tweede Kamer niet over bovenstaande is ingelicht, er sprake is van onvolledige informatie aan de Kamer? Zo neen, waarom niet?

6. Vraag
Deelt u voorts de mening dat in de vele Kamervragen en debatten over de atoomspionage van de heer Khan, de nu bekend geworden informatie gegeven had moeten worden? Wilt u alle nog onbekende informatie in een bijlage bij de Kamervragen aan de Kamer zenden? Zo neen, waarom niet?

5 en 6. Antwoord
Er is steeds sprake geweest van zo volledig mogelijke informatieverschaffing aan de Tweede Kamer. In het op 29 februari 1980 aan de Kamer toegezonden rapport van de ambtelijke werkgroep Bos (Kamerstukken II, 1979/80, 16 082, nr. 2) is de zaak Khan uitvoerig uiteen gezet. Tevens is aan de Kamer op 26 november van dat jaar uitgebreide informatie verstrekt in antwoord op de vele vragen die de Kamer naar aanleiding van het rapport had gesteld (kamerstukken II, 1980/81, 16 082, nr. 4). Voorts is de Kamer op verschillende momenten bij brief ingelicht over het verloop en de afloop van de strafrechtelijke procedure (zie ook het antwoord op vraag 1). Uit de antwoorden moge blijken dat er geen sprake is van «nieuwe» informatie die eerder gegeven had moeten worden.

1) “As Nuclear Secrets Emerge, more are suspected”. William J. Broad, David E. Sanger. New York Times, 26 december jl. “CIA weerhield Nederland van oppakken Khan”, Volkskrant, 27 december jl.

 

1) Mark Hibbs, NuclearFuel, 3 januari 2005

2) Argos, 14 januari jl. over de zaak Khan. Persbericht Stop de Wapenhandel

3) Kamerstuk 29 200 V, nr. 72, brief van de minister van Buitenlandse Zaken

4) zie noot 3

 

 

Vragen van het lid Karimi (GroenLinks) aan de ministers van Economische Zaken, van Buitenlandse Zaken en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de 4-M ultracentrifugetechnologie.

(Ingezonden 18 januari 2005)

1 Hebt u kennisgenomen van het artikel “Iran, Libya centrifuge probes point to extensive know-how theft”? 1) Vindt u dat de Kamer altijd tijdig, juist en volledig is geïnformeerd over de inhoud en omvang van de atoomspionage? Zo ja, hoe verklaart u de ontbrekende informatie over de 4-M ultracentrifuge technologie?

2 Acht u het aannemelijk dat Pakistan in de jaren zeventig de beschikking heeft gekregen over Nederlandse 4-M ultracentrifuge know-how? Zo neen, waarom niet? Zo ja, wilt u dit toelichten?

3 Klopt het dat tenminste in 1979 al vermoedens in deze richting bestonden bij de Economische Controledienst dan wel bij andere opsporings- of inlichtingendiensten?

4 Klopt de stelling van Argos van 14 januari 2005 dat in een geheim Nederlandse rapport, dat mede ten grondslag ligt aan het in maart 1980 verschenen openbare ambtelijke rapport over de zaak Khan, al in juli 1979 wordt gemeld dat Khan op delen van de 4-M technologie de hand had weten te leggen, terwijl de openbare rapportage aan de Tweede Kamer met geen woord rept over de 4-M technologie? Zo ja, waarom is de informatie over de 4-M technologie en de rol van Khan niet aan de Kamer gemeld? Hoe verklaart u deze discrepantie en waarom is de 4-M informatie nooit toegevoegd aan het openbare rapport over Khan?

5 Herinnert u zich deze passage in uw brief 3) aan de Kamer: “Wel versterkt de vondst in Iran en Libië van centrifuges van het oude Urenco-ontwerp het [...] ernstige vermoeden dat A.Q. Khan de blauwdrukken hiervan heeft ontvreemd”? Hoe verklaart u deze passage met de inhoud van het geheime rapport waarin gemeld wordt dat Khan op delen van de 4-M technologie de hand had weten te leggen? Kunt u dat toelichten? 4)

6 Zijn alle bevindingen toen of later aan het International Atomic Energy Agency (IAEA) ter beschikking gesteld? Is het IAEA op de hoogte geweest dat Khan de beschikking had over de 4-M technologie? Zo ja, wanneer? Zo neen, waarom niet?

7 Bent u bereid het geheime rapport waarin melding wordt gemaakt van de 4-M ultracentrifugetechnologie en, voor zover van toepassing, andere geheime rapporten inzake het onderzoek naar Khan en Urenco, al dan niet vertrouwelijk ter inzage aan de Kamer geven?

8 Hoe verklaart u dat Pakistan de beschikking heeft gekregen over de geavanceerde 4-M ultracentrifuge technologie? Heeft Abdul Qadeer Khan toegang tot de 4-M technologie gehad, of heeft deze technologie mogelijk ook na Khan’s vertrek in 1975 via derden Pakistan bereikt?

9 Kunt u bevestigen dat Khan of zijn vrouw, of beide, betrokken zijn geweest bij de ontwikkeling van de 4-M ultracentrifuge? Klopt het dat Khan's vrouw delen van 4-M ultracentrifuge handleidingen, blauwdrukken of andere technische documenten heeft vertaald? Kunt u de Kamer hier gedetailleerd over informeren?

10 Is het waar dat de P-1, dan wel L-1 ultracentrifuges, die de afgelopen jaren in Iran en Libië zijn aangetroffen, overeenkomsten vertonen met de 4-M technologie en kennelijk niet zijn gebouwd op basis van oudere G-1, dan wel CNOR of SNOR technologie?

11 Hoe beoordeelt u de opmerkingen van een official in Nuclear Fuel die stelt dat de P-1 centrifuge programma's in Libie en Iran geen verband houden met de G-1 en dat de P-1 centrifuges grote overeenkomst vertonen met de Nederlandse ultracentrifugeontwerpen? Welke overeenkomsten bestaan er?

12 Is het waar dat in 1992 de ministers van Buitenlandse Zaken en Justitie tegen de komst van Khan naar Nederland waren?

13 Welke instanties, waren toen verantwoordelijk voor de verstrekking van een visum voor Khan opdat hij in 1992 Nederland mocht binnenkomen? Wat was de rol daarbij van de toenmalige directeur van de BVD en de toenmalige SG van het ministerie van Buitenlandse Zaken?

Het lid van de Tweede Kamer, M.B. Vos (GroenLinks), heeft aan de
ministers van Economische Zaken & Buitenlandse Zaken op 8 juni 1998 de
volgende schriftelijke vragen gesteld.

1 Klopt het dat in opdracht van het ministerie van Economische Zaken
vijf zendingen van de bedrijven Slebos Research en Bodmerhof BV met
bestemming Pakistan zijn tegengehouden? (Zie VN 6 juni 1998)

2 Kunnen deze zendingen gebruikt worden bij de productie van
kernwapens

3 Beschikt u over informatie dat naast de genoemde vijf zendingen
andere producten, die mogelijk gebruikt kunnen worden voor de
vervaardiging van atoomwapens, van deze of andere Nederlandse
bedrijven wel zijn uitgevoerd naar Pakistan?

4 Welke maatregelen denkt de Nederlandse regering te nemen tegen de twee bovengenoemde bedrijven?

5 Kunt u garanderen dat er in het verleden geen
wapenexportvergunningen zijn afgegeven voor leveranties aan Pakistan
die mogelijk gebruikt zouden kunnen worden voor de research naar en de
productie van kernwapens?

6 Hoe kan het dat twee van de vijf leveranties niet in Nederland zijn
tegengehouden maar pas in respectievelijk België en Oostenrijk?

7 Heeft de regering diplomatieke stappen richting Pakistan ondernomen
nadat de zendingen onderschept waren?

8 Kan de regering garanderen dat de vijf onderschepte zendingen
voldoende veilig bewaard worden?

EXPORT VAN PRODUCTEN NAAR PAKISTAN
Datum: 25-06-1998

De staatssecretaris van Economische Zaken, A. van Dok-van Weele, heeft mede namens de minister van Buitenlandse Zaken, H.A.F.M.O. van Mierlo, deze vragen als volgt beantwoord.

1 Het Ministerie van Economische Zaken heeft, onder toepassing van artikel 2a lid 4 van de In- en uitvoerwet, sinds april 1997 een vijftal zendingen van niet-strategische goederen met als eindbestemming Pakistan onder vergunningplicht gebracht. Voor de volledigheid zij vermeld dat dit artikel is gericht op het voorkomen van de uitvoer van niet-strategische goederen die in het land van eindbestemming zullen of kunnen worden gebruikt om bij te dragen tot de ontwikkeling, de productie, de behandeling en bediening, het onderhoud, de opslag, de opsporing, de identificatie of de verspreiding van chemische, biologische of nucleaire wapens of tot de ontwikkeling, de productie, het onderhoud of de opslag van raketten die dergelijke wapens naar een doel kunnen voeren. De regering ziet geen aanleiding voor het publiekelijk identificeren van de bij de aanvankelijk beoogde uitvoer betrokken bedrijven. Zij is voorts van mening dat zij vertrouwelijke gegevens, mede om redenen van bronbescherming, niet in de openbaarheid kan brengen.

 

2 In het licht van het antwoord op vraag 1 geeft de regering er de voorkeur aan te verwijzen naar de gronden voor het opleggen van een vergunningplicht voor niet-strategische goederen zoals deze worden opgesomd in artikel 2a lid 4 van de In- en uitvoerwet.

3 De vraag of de exporteurs waarvan nu één of meerdere zendingen onder de vergunningplicht zijn gebracht, bewust of onbewust betrokken zijn geweest bij andere leveranties die mogelijkerwijs een bijdrage geleverd kunnen hebben aan activiteiten als omschreven in artikel 2a lid 4 van de In- en uitvoerwet, is momenteel onderwerp van onderzoek.
De overheid beschikt, voor zover het de periode vanaf de introductie van genoemde bepaling betreft, niet over aanwijzingen dat andere bedrijven goederen, die gebruikt kunnen worden voor de vervaardiging van atoomwapens, hebben uitgevoerd naar Pakistan. Daarbij zij vermeld dat ingevolge artikel 2a lid 6 In- en uitvoerwet een meldingsplicht
rust op de exporteur die weet dat door hem uit te voeren goederen geheel of ten dele bestemd zijn om te worden gebruikt voor een van de in artikel 2a lid 4 van de In- en uitvoerwet genoemde doeleinden.

 

4 Er is thans voor de uitvoer van een vijftal zendingen vergunningplicht opgelegd op grond van artikel 2a lid 4 van de In- en uitvoerwet. Indien een exporteur een zending toch zonder de vereiste vergunning uitvoert, is sprake van een strafbaar feit dat op grond van de Wet Economische Delicten gesanctioneerd kan worden.

5 De regering heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat in het verleden vergunningen zijn verleend voor de uitvoer van militaire of andere strategische goederen die gebruikt zijn bij het onderzoek naar en de ontwikkeling van kernwapens in Pakistan. De uitvoer van strategische goederen is op grond van de In- en uitvoerwet en het Uitvoerbesluit strategische goederen 1963 vergunningplichtig en de aanvragen voor vergunningen worden mede beoordeeld op het risico van gebruik in relatie tot zulke activiteiten. Voor wat betreft de uitvoer van niet-strategische goederen wordt een ad-hoc vergunningplicht ex artikel 2a lid 4 van de In- en uitvoerwet opgelegd, indien de overheid over aanwijzingen beschikt dat de goederen in het land van bestemming zullen of kunnen bijdragen aan activiteiten als de ontwikkeling van massavernietigingswapens of raketten. Bovendien kan de overheid optreden na een melding van een
exporteur krachtens artikel 2a lid 6 In- en uitvoerwet. Zoals in de beantwoording van vraag 3 aangegeven, wordt momenteel onderzocht of er
bedrijven zijn die zich hebben onttrokken aan deze meldingsplicht. Vaststaat dat de overheid in alle gevallen waarin zij met toepassing van het instrument van artikel 2a lid 4 van de In- en uitvoerwet kon ingrijpen, dat ook heeft gedaan.

6 Een van de basisprincipes van de interne markt is het vrije verkeer van (niet-strategische) goederen binnen het Communautaire douanegebied. De toepassing van artikel 2a lid 4 van de In- en
uitvoerwet richt zich dan ook niet op de verplaatsing van goederen binnen de Gemeenschap, maar op de uitvoer naar derde landen.

In één geval bevonden de door een Nederlandse exporteur naar Pakistan uit te voeren goederen zich ten tijde van de toepassing van artikel 2a lid 4 van de In- en uitvoerwet op Belgisch grondgebied. In een ander geval is dit artikel vanwege de betrokkenheid van een Nederlandse exporteur toegepast voordat de goederen vanuit Oostenrijk via
Nederland dan wel via een andere Lid-Staat van de Gemeenschap werden uitgevoerd. In beide gevallen is de Nederlandse beschikking, d.w.z. het besluit tot oplegging van een vergunningplicht bij uitvoer vanuit
het Communautaire douanegebied aan de betreffende Nederlandse exporteur, bij de betrokken en andere Lid-Staten van de Gemeenschap
genotificeerd. Het gevolg van deze notificatie en het daarmee gepaard gaande overleg tussen de in Nederland en in deze Lid-Staten met exportcontrole belaste autoriteiten is, dat de betrokken goederen
onder toezicht zijn geplaatst en het Communautaire douanegebied niet zullen verlaten alvorens de Nederlandse exporteur in Nederland alsnog
een vergunning heeft verkregen.

 

7 Neen. Indien het echter tot daadwerkelijke vergunningaanvragen komt, waarbij gedocumenteerde en door de Pakistaanse autoriteiten gegarandeerde waarborgen rond het eindgebruik van de goederen zullen worden verlangd, liggen nadere contacten met de Pakistaanse overheid zeker in de rede.

8 Er wordt toezicht uitgeoefend op de betrokken goederen, teneinde te voorkomen dat de goederen het Communautair douanegebied zonder
uitvoervergunning verlaten. Ingeval van overtreding van dit verbod zullen, zoals reeds in het antwoord op vraag 4 aangegeven, de beschikbare sanctiemogelijkheden worden ingezet.

 

Centerboek
ISBN 90-5087-027-9

meer artikelen

back home